In de eerste warme weken na een koude winter komt er beweging in huizen die de hele winter potdicht hebben gestaan. Soms hoorbaar, soms zichtbaar, soms alleen merkbaar aan een spoor van schade dat een paar weken eerder nog niet was. In Lelystad zijn er een paar verdachten die elk voorjaar terugkeren, en het loont om ze te kennen voordat ze zich genesteld hebben.

Waarom Lelystad een eigen plagenprofiel heeft

Lelystad is een jonge stad. De eerste woningen werden in 1967 opgeleverd, en veel van wat er sindsdien is bijgekomen stamt uit de jaren zeventig tot eind negentig. Spouwmuren, kruipruimtes en houten dakbeschot waren destijds modern. Inmiddels zijn die constructies tussen de 25 en 50 jaar oud, en die combinatie van veroudering en vochtgevoeligheid maakt sommige woningen aantrekkelijker voor specifieke plagen dan een nieuwer huis.

GGD's in Flevoland horen elk voorjaar veel vragen over ongedierte in woningen, met name in maart en april. Het patroon is jaarlijks ongeveer gelijk. Kleine insecten in de keuken of slaapkamer en geluiden op zolder die wijzen op grotere bewoners. De aanpak verschilt sterk per soort, en daarin gaat het regelmatig mis. Wat tegen een mier helpt, helpt niet tegen een marter.

Het bijna onzichtbare voorjaarsbeestje: de tapijtkever

Tapijtkevers zijn een van de meest onderschatte huisgenoten. Ze zijn klein, ovaal en bruinig, en hun larven leven in vloerkleden, gestoffeerde meubels, wollen kleding en soms in voorraadkasten. De volwassen kevers zelf zijn vrij onschuldig, maar de larven kunnen flinke schade aanrichten aan textiel voordat iemand doorheeft dat er iets aan de hand is.

Het aanbod van Lastvan tegen tapijtkevers loopt van val tot poeder. De plaag is doorgaans herkenbaar aan kleine gaatjes in stof en bruine larvenhuidjes onder meubilair. In Lelystadse meldingen wordt tapijtkever vooral gevonden in woningen waar de afgelopen jaren een nieuw vloerkleed of bankstel is gekomen. Volwassen kevers vliegen naar binnen, leggen eieren in textiel en de cyclus start daarmee opnieuw.

De aanpak is bijna altijd dezelfde. Grondig stofzuigen, regelmatig wassen en in zwaardere gevallen een gerichte behandeling. Wat niet werkt, ondanks wat oma's wijsheid voorschrijft, is een schaal azijn in de kast.

En dan iets groter: marters op zolder

In Flevoland, en met name in de overgangsgebieden tussen stad en buitengebied, komen steenmarters regelmatig voor. Ze nestelen graag in dakbeschotten, isolatiemateriaal en bij voorkeur ergens warm en droog. Wie 's nachts geritsel hoort uit de richting van de zolder, kan beter snel kijken voordat het een echt huishouden wordt.

Een marter is geen muis. De aanpak om een marter verjagen vraagt om een combinatie van verstoring en het uiteindelijk vakkundig afsluiten van toegangsroutes. Vergiftiging is bij beschermde diersoorten geen optie en bovendien zinloos, omdat dode marters in spouwmuren een ander probleem worden dan levende. Wat wel werkt is verstoring met licht en radiogeluid op een tijdklok, en in een later stadium het afsluiten van het toegangsgat. Dat laatste mag pas als de marter ook echt buiten is.

Dakdekkers in Lelystad merken op dat marters vaak buurtsgewijs verschijnen. Ze lopen graag schuttingen langs, en als ze één gunstige plek vinden, volgt de buurt vaak snel. Wie het bij zijn buurman ziet, doet er goed aan zelf ook even op zolder te kijken.

Waarom snelheid telt

Het verschil tussen een vroeg ontdekt ongediertesoort en een gevestigd probleem zit vaak in twee tot drie weken. Een eenzame tapijtkever in maart kan in mei een hele kleerkast aantasten. Een marter die in april op zolder een nest bouwt, krijgt in mei jongen, en die verlaten het nest pas in augustus.

Voor wie nu al iets vreemds opmerkt is wachten geen optie. Een vroege check is altijd minder werk dan een late aanpak. Het ongedierte zelf heeft daar geen boodschap aan, maar de bewoners van het huis wel.